Wilders

Het is niet een heilig moeten
hoewel ik smijt met termen als
jihad en moord op vrije spraak
geheel volgens adagium
hoe groter de woorden
hoe holler de frasen
hoe harder hun echos
de wereld rond razen
het is ook niet perse voeten
in aarde hebben of debat
met bezwaarden van andere
gewetens of het werkelijk
kraken van krimpende ketens
zelfs een principe is slechts dat
een gebeeldhouwde zin en dit
is gewoon, ik wil d'r 's in
16:27 




1) een heilig moeten;
2) voeten in de aarde te hebben;
3) een debat met andersdenkenden te zijn;
4) succes te hebben met kraken van krimpende ketens.
Dan de eerste strofe 2e zin: wie is die ‘ik’ die daar met termen als jihad’ enz. ‘smijt? Primair kan dat geen ander dan de dichter zelf zijn. Wel kan hij met zijn dichterlijke vrijheden proberen te bereiken dat onverhoedse lezers aan iemand anders (= Wilders) dat gesmijt toeschrijven, wat de waarheid geweld aandoen zou zijn. Absolute identificatie dichter = Wilders negeer ik.
De rest van het gedicht lijkt mij bewoording en bevestiging van boven verstrekte samenvatting. Alleen de laatste woorden uit de laatste zin van de laatste strofe bevat iets meer: een spel met letters dat de naam van Wilders ophoest. ’t Is denk ik de clou van het gedicht tevens de reden waarom de maker die boodschap optisch in dichtvorm goot. Een massa woorden in dressuur was nodig om die grap eruit te knijpen en enig reliëf te geven. In proza komt zij minder of niet over.
Verder is de structuur van die opeenstapeling van regels mij onduidelijk en vind ik de alliteratie met ‘kraken van krimpende ketens’ onwelluidend, gezocht en ridicuul. Maar goed, smaken verschillen.
En dan de inhoud. Naar oud ‘adagium’, om dat woord ook eens te gebruiken, gaan het goede en het schone samen, en dan ook het slechte en het lelijke.
Wilders wordt beklad; daar gaat het om, en kan en mag de kreupele vorm waarin dat gebeurt ons niet bezig houden. Die hoort erbij.
Tot slot: naar mijn mening een pruldichter, voor agitprop inzetbaar. Amen.