GC's Matinee: Gray en de terugkeer naar het realisme
In GC's Zondag Matinee elke week speciaal voor uw kijkgenot een fascinerende documentaire, een spraakmakend TV-programma of een bijzonder (leuk) cabaretfragment.

Filosoof John Gray gelooft niet in vooruitgang. Nou ja, zijn waarheid ligt iets genuanceerder: op het gebied van de wetenschap en technologische ontwikkeling ziet Gray inderdaad vooruitgang en ‘het zou dwaas zijn om dat te ontkennen’. Maar als het om de politiek en de ethische ontwikkeling gaat, dan bestaat diezelfde vooruitgang niet. Want wat in de wetenschap kan: het overwinnen van een theorie, op basis van zuivere kennis, een concept afschaffen en vervangen, dat kan niet zomaar in de politiek en ethiek. Hij legt dit uit aan de hand van marteling, dat sinds de oorlog in Irak weer volledig teruggekeerd is.
We kunnen namelijk wel zeggen dat ‘we’ martelen hebben afgeschaft, net zoals we kunnen beweren dat de slavernij is overwonnen, maar die zaken zijn daarmee niet geheel weg. Eens in de zoveel tijd komen deze ethische en politieke problemen weer terug. Martelen wordt nog steeds gedaan door moderne, verlichte staten en regeringen. En dat is paradoxaal, want het ‘verlichtingsdenken’ leerde ons juist dat het menselijk denken vroeger niet rationeel of wetenschappelijk was, maar vooral religieus en metafysisch. In plaats van bijgeloof en mythen, werd wetenschappelijke kennis veel belangrijker. En dit zou ons enorme vooruitgang brengen. Maar, realistisch gezien: in de ethiek en de politiek hebben we te maken met ‘menselijke praktijken’, menselijke tradities en emoties, kortweg: we hebben te maken met ‘onvolmaakte mensen’. Hierdoor bestaat er de reële mogelijkheid dat alles wat we op het gebied van politiek hebben verworven, ook zomaar weer verloren kan gaan. Iets wat in de wetenschappelijke wereld nagenoeg onmogelijk is.
De oorlog in Irak
Een belangrijk voorbeeld zijn de enorme fouten die ‘de westerse wereld’ heeft gemaakt met de oorlog in Irak. Gray betoogt dat dit een kansloze oorlog is en nog belangrijker: ‘we’ hadden dit allang kunnen weten. Hij verwijst hierbij naar de oprichter van de staat in Irak, de Britse politicologe en schrijfster Gertrude Bell. Zij was ervoor verantwoordelijk dat de macht in handen kwam van een minderheid: de Soennieten. “Want”, zo stelde Bell destijds al, “een meerderheidsregime zal leiden tot een theocratisch systeem.” Als Irak een democratie zou zijn, dan zou het als democratie onmiddellijk uiteenvallen.
De tweede grote fout van de invasie, lag in de utopie van de controle over de Irakese olievelden. Zoals de huidige politiek ten tijde van Bell al had kunnen leren en zien, was een onderliggend motief voor de Britten om Irak níet democratisch te maken juist de olie. Als de Sjiieten de macht zouden krijgen, dan zou de Engelse controle over de olievelden in gevaar zijn gekomen. Want: waarom zou een democratisch gekozen regeringsstelsel ervoor kiezen om de macht en de controle van de olievelden in de handen te laten van een ander land?
De grote misvatting van de Verenigde Staten was, volgens Gray, dan ook niet eens zozeer praktisch van aard – zoals de onderschatting van het aantal zelfmoordaanslagen, te weinig militaire troepen, de lengte van de oorlog, etc – maar vooral een theoretische. Een gevaar waar de Griekse filosoof Plato al voor waarschuwde: een democratie kan zichzelf óók langs democratische weg weer opheffen. Problematisch dus in het geval van Irak, want de meerderheid in Irak wordt gevormd door de Sjiieten en die ambiëren geen democratie, maar een islamitische theocratie. Doorredenerend zou een democratisch Irak dan ook per definitie een ondemocratisch Irak tot gevolg hebben.
Terugkeer naar het realisme
Deelname aan de oorlog op grond van ‘de rechtvaardiging dat de Irakezen verlost moesten worden van het Saddam-regime’, kan daarom onmogelijk als legitiem worden gezien. Had Nederland, danwel de westerse machten, de machtsverdeling sinds de stichting van de staat in 1921 meegewogen, dan zou het tot de conclusie zijn gekomen dat het omverwerpen van het zittende regime zou uitmonden in een islamitische in plaats van een seculiere staat. Deze kennis was bovendien aanwezig bij de meeste inlichtingendiensten, zoals de CIA, die ernstige vraagtekens bij een inval plaatsten. Een klein beetje realisme had de oorlog in Irak kunnen dan ook kunnen voorkomen, betoogt Gray.
De oplossing die Gray biedt liggen in het invoeren van ‘meer realisme’ in de politiek. We dienen tegengewicht te bieden aan utopische trends in het westerse denken. Wat we daaraan hebben? Als er meer realisten waren op cruciale machtsposities, zouden er nog steeds crisissen en problemen zijn (inherent aan onze menselijkheid), maar dan zouden gigantische dwalingen – zoals de oorlog in Irak – kunnen worden voorkomen. Dan zou dé utopische oplossing voor Irak én Afghanistan - democratie – kritisch(er) bekeken kunnen worden. Het is namelijk een grote - utopische - vergissing van het Westerse denken, dat democratie dé oplossing is voor alle volkeren. Zoals we in het voorbeeld van Irak hebben kunnen zien, zou democratie in een land als Irak hele andere uitkomsten hebben dan de uitwerking van democratie in de Westerse wereld. Een fout van én in het hedendaagse westerse denken.
Menselijke impulsen conflicteren met elkaar en menselijke behoeften zijn niet altijd met elkaar in harmonie, ze zijn zelfs niet altijd goedaardig. Wreedheid is diepgeworteld in de mens. Die gedachte werd door bijna iedereen gedeeld tot het eind van de 18de eeuw. Thomas Hobbes dacht er zo over, Machiavelli idem. Bijna iedereen dacht er toen zo over, omdat het simpelweg waar is. Het frappante is dat het pas sinds kort wordt beschouwd als schokkend en afwijkend. Dat illustreert een basiskenmerk van het hedendaagse denken: Het gebrek aan realiteit. […] Ik betoog daarom juist dat de geschiedenis zich zal voortzetten. Hetzelfde kwaad, dezelfde dilemma’s, dezelfde conflicten keren terug. Alleen de omstandigheden en de technologieën verschillen. Maar de toekomst zal in zijn belangrijkste ethische en politieke aspecten, sterk op het verleden lijken. […] Dit is anders dan het betoog van het verlichtingsdenken, waarin wordt aangegeven dat in het verleden niet ‘de wijsheid reageerde’. Hierdoor bestaat het gevaar dat we ons vergissen en denken dat ‘dé wijsheid in het huidige denken’ wél regeert.
Het is de kracht van het betoog van Gray dat hij terechte vraagtekens zet bij de ‘menselijke vooruitgang’, ingebakken door het ‘het verlichtingsfunda- mentalisme’, dat onze westerse wereld zo heeft beïnvloed. Want: waarom zouden we, bijvoorbeeld, aannemen dat één type samenleving het beste is voor iedereen?
Lezersservice: De uitzending van Tegenlicht.
15:15 



